Loading...
 

Kwetsbaarheden en valkuilen bij UHB

 

Swing

De problemen en valkuilen waar uitzonderlijk hoogbegaafden mee te maken krijgen, zijn in se niet echt anders dan die van andere mensen en zeker te vergelijken met die van hoogbegaafden. Doordat uitzonderlijk hoogbegaafden echter zeer extreem afwijken van 'de norm' en hiervoor niet altijd kunnen rekenen op begrip of een gepaste aanpak, kunnen ze echter kwetsbaarder zijn dan anderen, voornamelijk wanneer ze zich niet in een aangepaste omgeving bevinden.

Door het tekort aan kennis over uitzonderlijke hoogbegaafdheid in Vlaanderen, is dit laatste een nog altijd vaak voorkomend gegeven. Het is een probleem waar zeer vele UHB kinderen mee geconfronteerd worden wanneer ze in een schoolse omgeving terecht komen. Maar ook (jong-)volwassenen kunnen gelijkaardige problemen ervaren in hun sociale of werkomgeving

 

Veel voorkomende valkuilen :

 

Verveling

 

Verveling is het meest voorkomend probleem bij hoogbegaafden, en zeker ook bij uitzonderlijk begaafde kinderen in het onderwijs. Volgens een studie van Project Talent uit 2018 vinden hoogbegaafde kinderen schoolwerk minder boeiend, ervaren ze minder plezier in het leren en noemen ze de leerstof vaker saai dan de ‘normaal’ begaafden. Bovendien bleek dat hoe hoger het IQ, hoe meer ze zich vervelen in de les.

Dit probleem stelt zich vooral, maar zeker niet alleen, in kleuter- en lager onderwijs.

De gevolgen hiervan zijn voor UHB kinderen niet min: ze worden ongelukkig, kunnen een bepaald "coping gedrag" ontwikkelen om met deze permanente verveling om te gaan en komen hierdoor soms in problematische situaties terecht. Dit kan gaan om:

  • Bewustzijnsverlaging, dagdromen
  • Aandacht trekken, druk doen, clown uithangen
  • Zich terugtrekken, sociaal isoleren
  • Demotivatie, tegenzin in leren en school
  • Drop-out, schooluitval
  • Psychosomatische klachten zoals buikpijn of hoofdpijn, nagelbijten, tics, eetstoornissen, ...
  • Gedrag dat men foutief kan interpreteren als OCD- of ADHD-kenmerken
  • Existentiële depressies
  • Zelfmoordgedachten
  • ...

Maar verveling is niet louter een probleem voor UHB kinderen of jongeren. Ook uitzonderlijk hoogbegaafde volwassen worden soms met dit gegeven geconfronteerd. Binnen hun arbeidssituatie botsen sommige UHB mensen op tegen verveling, zowel binnen hun job als hun dagelijkse leven. "Jobhopping" - waarbij iemand van de ene naar de andere job trekt omwille van de verveling of de sleur die telkens weer opduikt in een bepaalde werksituatie - is voor vele UHB volwassenen dan ook een bekend gegeven. Ook 'bore-outs' of zelfs 'burn-outs' die een gevolg zijn van de verveling op het werk, zijn zeker geen  onbekende onder UHB volwassenen. Specifiek wanneer uitzonderlijk hoogbegaafden niet het juiste diploma behaalden of geen geschikte job vonden en dus dagelijks moeten presteren op een niveau vèr onder hun capaciteiten, ligt een bore-out soms al snel op de loer.

 

Onderpresteren

 

We spreken over onderpresteren wanneer iemand structureel minder presteert dan het op grond van zijn of haar capaciteiten zou kunnen.

Op basis van de extreme capaciteiten van UHB kinderen, is de aanname dat de meesten onder hen in meerdere of mindere mate onderpresteren in ons onderwijs, niet onterecht. Zelfs wanneer UHB kinderen in het reguliere onderwijs nagenoeg perfecte resultaten halen, is er in se nog altijd sprake van onderpresteren. Deze kinderen worden beperkt door het schoolsysteem omdat ze niet hoger kunnen scoren dan het maximum en ze niet méér kunnen tonen dan wat van hen wordt verwacht. Alleen wanneer deze kinderen ongelimiteerd door zouden mogen gaan in hun leren, zouden de échte mogelijkheden van deze kinderen zichtbaar worden.


Onderpresteren kan voorkomen als gevolg van andere factoren of op zichzelf. Het kan zich geleidelijk aan ontwikkelen waarbij er minder inzet vertoond wordt voor huiswerk, toetsen of projecten, maar het kan ook ineens optreden. Een kind dat eerst heel enthousiast en betrokken was met school, kan langzaam of heel erg plots al zijn interesses en motivatie verliezen.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen relatief en absoluut onderpresteren.

Relatief onderpresteren:
  • Lager presteren dan het eigen potentieel maar nog steeds voldoen aan de norm
  • Vaak om niet op te vallen 
  • Aanpassingsgedrag om bij de groep te horen
  • Zou eerder voorkomen bij meisjes
Absoluut onderpresteren:
  • Lager presteren dan de norm, soms regelrechte regressie
  • Vaak het gevolg van andere factoren:
    • Klikt niet met de leerkracht
    • Last met de methode of met bottom-up leerstof
    • Perfectionisme
    • Faalangst
  • Zou eerder voorkomen bij jongens

Ook bij UHB volwassenen kan  onderpresteren voorkomen, waarbij de volwassene niet presteert op het niveau van zijn capaciteiten. Tal van redenen kunnen  de oorzaak hiervan zijn, zoals geen of het verkeerde diploma, een jobinhoud die niet uitdagend is, het tekort aan kennis bij werkgevers of in de maatschappij in het algemeen, ...Sommige uitzonderlijk hoogbegaafden zijn zich niet bewust van hun onderpresteren of ervaren er niet altijd bewust de nadelen van. Pas na verloop van tijd - of na een harde confrontatie met de werkelijkheid door bijvoorbeeld een burn-out - wordt onderpresteren zichtbaar en dringen aanpassingen of nieuwe uitdagingen zich op. Onderpresteren is voor vele UHB volwassenen vaak moeilijk zichtbaar.
Dat ook UHB senioren kunnen onderpresteren en nood aan uitdaging hebben wordt momenteel zelfs helemaal niet benoemd binnen onze maatschappij.

 

Faalangst

 

Iemand met faalangst is bang om fouten te maken, dingen niet goed genoeg te doen en dus te falen. In praktijk wordt over faalangst gesproken wanneer deze angst een langere tijd aanwezig is, de dagelijkse gang van zaken belemmert en de ontwikkeling van de persoon en diens omgeving in de weg staat.

Bij hoogbegaafden zijn er bepaalde factoren die het risico op faalangst vergroten of in stand kunnen houden. UHB kinderen leggen hun "interne lat" vaak extreem hoog en krijgen hierdoor al snel het gevoelen te falen. Ze voldoen niet aan hun eigen extreme eisen, maar zijn tegelijkertijd niet in staat om deze eisen realistisch te beschouwen. Bovendien kunnen zij zich door hun kritische en divergente manier van denken makkelijk voorstellen wat er allemaal mis kan gaan, op welke manier, wat anderen daarover zullen denken en wat de eventuele  consequenties hiervan zijn. Door hun emotionele intensiteit wordt dit vaak nog eens extreem uitvergroot en wordt de schrik om te falen nog groter.

Begaafde kinderen worden vaak door anderen gewaardeerd omwille hun intelligentie en komen hierdoor soms vast te zitten in een kader van "vaste intelligentie". Omdat initieel alles vanzelf gaat, leren ze niet omgaan met mislukkingen en leren ze niet de zin inzien van inspanning. Op het moment dat ze het moeilijker krijgen, vervallen ze makkelijker in faalangst en onderpresteren.

Studies bevestigen dat wanneer (U)HB kinderen de juiste begeleiding krijgen én in een gepaste omgeving kunnen ontwikkelen (passend onderwijs), er minder of zelfs geen sprake meer is van faalangst.

Faalangst is ook een bekend gegeven bij UHB studenten en jongvolwassenen. Vaak worden deze pas op latere leeftijd geconfronteerd met het feit dat tot dan op schools vlak alles 'vanzelf' ging. Doordat ze nooit passend begeleid werden en nooit op hun eigen intrinsieke manier leerden leren, ontdekken ze plots bij bv. de eerste bachelor examens de valkuilen van uitzonderlijk hoogbegaafd zijn. Faalangst kan op dat moment extreem naar boven komen en soms zelfs het einde van een academische carrière betekenen. Faalangst kan bij een uitzonderlijk begaafde op elk moment van z'n leven ontwikkelen en vraagt passende begeleiding of preventie door passend onderwijs vanaf (zeer) jonge leeftijd.

 

Potloodjes

 

Perfectionisme

 

Net als veel hoogbegaafden zijn uitzonderlijk hoogbegaafden vaak zeer perfectionistisch van aard. Enerzijds is dat aanleg, anderzijds hebben ze zoveel denkvermogen dat ze problemen dieper doordenken en met betere, meer perfecte oplossingen kunnen komen. 

Er is op zich niets mis met het nastreven van perfectie, zolang de verwachtingen realistisch blijven. Uitzonderlijk hoogbegaafden stellen vaak extreem hoge of zelfs onrealistische verwachtingen voor zichzelf en voor anderen waardoor ze als gevolg obsessief of faalangstig gedrag ontwikkelen. Ook hun zelfbeeld kan hierdoor een stevige knauw krijgen. Het UHB kind heeft het gevoel niet te voldoen aan de verwachtingen en ontwikkelt een negatief beeld over z'n eigen kunnen en zijn.

Het is als buitenstaander niet altijd makkelijk om dit perfectionisme te herkennen of er mee om te gaan. Het is nl. niet altijd makkelijk om te achterhalen welk referentiepunt het kind hanteert.

Ook bij perfectionisme geldt: mits de juiste begeleiding en aanwezigheid van een passende (leer-)omgeving beschikken deze kinderen over een meer adaptieve vorm van perfectionisme dat hen vooruit helpt ipv belemmert. 


Kritische instelling

 

Uitzonderlijk hoogbegaafden zijn vaak uitermate kritisch. Niet alleen naar anderen toe maar ook naar zichzelf. Deze eigenschap ligt in het verlengde van hun perfectionisme.

Deze kritische instelling wordt echter niet altijd door iedereen geapprecieerd. Op school vinden klasgenootjes het soms lastig en reageren dan afwijzend op de kritische opmerkingen van het UHB kind, maar ook leerkrachten zijn er niet altijd mee opgezet. Hierdoor worden deze kinderen vaak door hun omgeving als muggenzifter of betweter afgeschilderd. Tegelijkertijd weten ze vaak iemands kleine kantjes zo scherp te stellen wat door de betrokken personen als bedreigend wordt ervaren.

Het kind zelf krijgt hierdoor het idee niet serieus genomen te worden. Het gaat op zoek naar achterliggende reden waarom zijn of haar opmerkingen niet geapprecieerd worden en legt de schuld hiervoor vaak bij zichzelf. Het gevoel 'anders' en 'niet begrepen te worden' wordt groter. Dit heeft soms nefaste gevolgen voor het zelfbeeld.

Ook in een volwassen samenleving wordt (extreem) kritisch zijn niet altijd geapprecieerd. In een arbeidsomgeving wordt het soms maar weinig op prijs gesteld en wordt de UHB werknemer bestempeld als lastig of als betweter. Kritische vragen worden vaak opgevat als louter kritiek, terwijl een kritische instelling gewoon eigen is aan de UHB werknemer. Niet elke werkgever is opgezet met een werknemer die té veel vanzelfsprekendheden in vraag stelt of kritisch naar opdrachten kijkt. Voor sommige uitzonderlijk hoogbegaafden is werken voor een werkgever vaak een dagdagelijks tiplopen doorheen opdrachten of werksituaties.

 

Extreem rechtvaardigheidsgevoel

 

Door bovengenoemde eigenschappen als perfectionisme en een zeer kritische instelling hebben uitzonderlijk hoogbegaafden dikwijls ook een sterk en autonoom ontwikkeld moreel intern kompas. Ze ontwikkelen zeer sterke waarden en normen die hun houvast zijn en richting geven aan hun leven. Vaak vertrouwen zij dit interne kompas eerder dan de ideeën van anderen.

Omdat ze daarbij ook nog eens een rigide standpunt kunnen innemen, met weinig ruimte voor afwijkende ideeën (logica gaat voor), leidt dit geregeld tot strijd met anderen over van alles en nog wat.

Hulpverleners die niet op de hoogte zijn van deze eigenschap van UHB, kunnen dit gedrag wel eens verkeerdelijk als ASS diagnosticeren. 

 

Latere ontwikkeling van executieve functies

 

Executieve functies zijn processen die te maken hebben met planning, organisatie en beheersing. Meer nog dan intelligentie zijn ze bepalend voor succes in studies en werk en voor een vlot verloop van het dagelijks leven. Zo gaat het onder andere over:

  • Taakinitiatie
  • Richten en volhouden van aandacht
  • Emotieregulatie
  • Werkgeheugen
  • Zelfinzicht, zelfreflectie
  • Cognitieve flexibiliteit
  • Time management
  • Planning

Deze functies worden in verband gebracht met de prefrontale cortex. Ze zijn later in de evolutie van de mens ontstaan, komen bij kinderen ook later tot ontwikkeling en zouden bij het verouderen ook eerder aftakelen. Algemeen wordt aangenomen dat de ontwikkeling van de prefrontale cortex doorgaat tot de leeftijd van 20 à 25 jaar. 

Voor het ontwikkelen van executieve functies is oefening nodig en juist vanwege hun hoge intelligentie worden de executieve functies bij uitzonderlijk begaafde kinderen niet zo snel aangesproken. Wanneer dingen je vanwege je intelligentie gemakkelijk af gaan, dan hoef je ook minder lang je aandacht vast te houden of dingen uitvoerig te plannen, te organiseren of uit te werken. Doordat ze structureel té weinig cognitief worden uitgedaagd, leren jonge UHB kinderen bepaalde executieve functies niet of nauwelijks te gebruiken. Op het moment dat UHB kinderen deze executieve functies voor het eerst nodig hebben (vaak in het middelbaar of zelfs pas in latere studies), lopen zij vast op het feit dat ze deze nog niet ontwikkeld hebben. 

Het is daarom uiterst belangrijk dat UHB kinderen binnen een passende omgeving op tijd de juiste uitdaging wordt aangeboden, zodat ook zij de kans krijgen om bepaalde vaardigheden te oefenen. Passend onderwijs is een absolute voorwaarde voor de ontwikkeling van hun executieve vaardigheden.
 

Impostor Syndrome

 

Het Impostor Syndrome (te vertalen als het 'oplichterssyndroom' of 'bedriegerssyndroom') is een term die in de jaren 1970 werd geïntroduceerd door psychologen en onderzoekers om mensen te beschrijven die  - ondanks externe en duidelijke bewijzen van hun competentie - er van overtuigd blijven dat ze bedriegers zijn en dus hun succes eigenlijk niet verdienen. Blijken van succes worden afgedaan als 'geluk', 'goeie timing' of het resultaat van het misleiden van anderen.

Het oplichterssyndroom blijkt meer voor te komen bij intelligente en succesvolle vrouwen of bij hoogbegaafden in het algemeen. 

Hoewel er maar weinig onderzoek over terug te vinden is, lijkt het dat vele uitzonderlijk hoogbegaafden inherent het gevoel hebben dat ze anderen  "bedriegen" met hun intelligentie. Mogelijks komt dit vaker voor bij UHB personen omdat ze met een veel kleinere inspanning dan anderen succesvolle prestaties realiseren, veel sneller problemen doorzien, enz. Hierdoor lijkt het of dit succes onverdiend is. Dit gevoelen ontwikkelt zich vaak al op jonge leeftijd en blijft voor velen voor de rest van hun leven een soort domper te zijn op hun prestaties. Dit kan gaan van een slecht gevoel over een goed schoolrapport of een geslaagde spreekbeurt tot latere schaamte of ontgoocheling bij positieve reacties van collega's of vrienden op arbeidsprestaties of behaalde successen in het leven in het algemeen.

Het gevoelen de wereld te bedriegen met jouw succes, hoeft in se geen probleem te zijn wanneer het niet voortdurend opduikt of wanneer het de dagdagelijks presteren van de uitzonderlijk hoogbegaafde niet belemmert. Het wordt wel problematisch wanneer het prestaties of successen gaat tegenwerken of voorkomen of er voor zorgt dat het zelfbeeld van het uitzonderlijk hoogbegaafde kind, jongere of volwassene uiterst negatief beïnvloedt en nefaste gevolgen heeft op psychologisch niveau. 

Over het algemeen kunnen we stellen dat het Impostor Syndrome voor vele uitzonderlijk hoogbegaafden vaak een algemene domper op de pret is en als een wringend schoentje meegroeit met hun levensloop.